Dat ik je zie
Over nabijheid,
wachten en
wat zichtbaar wordt
wanneer niemand ingrijpt

Leestijd: ± 7 min

Ik herinner me nog hoe het voelde toen wachten verdween. Het was geen groot moment, geen aankondiging. Ineens was het er gewoon, zoals een gewoonte die je afleert zonder precies te weten wanneer je ermee bent gestopt. Opeens hoefde je niet meer aan te kloppen, niet meer te twijfelen of je iemand lastigviel, niet meer te verdragen dat een antwoord misschien ongemakkelijk zou zijn. Alles werd stiller. Netter. Alsof de wereld eindelijk had ingezien dat menselijk contact altijd een lichte vorm van ongemak met zich meebracht.



Eten kwam zonder woorden. Mijn voorkeuren waren bekend, mijn allergieën zorgvuldig gefilterd. Het arriveerde warm, precies op tijd, in een verpakking die geen vragen opriep. Het smaakte goed. Misschien zelfs beter dan wanneer iemand het had klaargemaakt terwijl ik erbij stond.

Liefde leek zich op dezelfde manier aan te dienen. Ik hoefde niemand meer aan te spreken. Ik wist vooraf wie graag reisde en wie liever thuisbleef, welke muziek iemand luisterde, met wat voor mensen ze zich omringde. Ik kon fantaseren zonder risico. Een paar berichten sturen. Afhaken wanneer ik wilde. Het voelde veilig, overzichtelijk, bijna elegant.

Alle kennis lag onder een toets. Ik hoefde niet meer naast iemand te zitten die te hard ademde of een vage zure geur met zich meedroeg. Geen collegezalen, geen treinen, geen schouders die elkaar per ongeluk raakten. Ik lag in bed, misschien nog half in slaap, in mijn onderbroek. Mijn eigen geur stoorde me niet. Dat deed hij nooit.

Ik had gezelschap, maar op afstand. Mensen met dezelfde interesses, dezelfde overtuigingen. Geen wrijving, geen misverstanden, geen ergernis. Alles klonk vertrouwd, alsof alles al eerder was uitgesproken. Soms dacht ik: dít is gemeenschap. Ik had volgers. Mensen keken naar me. Ik werd gezien.

Na verloop van tijd viel me op dat niemand iets van me vroeg. Niemand verwachtte dat ik bleef. Niemand vroeg me om geduld, om tolerantie, om aanpassing. Aanvankelijk voelde dat als opluchting. Alsof ik eindelijk mocht rusten. Alsof er een constante spanning van mijn schouders was gehaald waarvan ik niet had geweten dat ik die droeg.

Ik wílde blijven.

Wat langzamer, fundamenteler verdween, merkte ik pas later. Misschien juist omdat het altijd al lastig was geweest. De onbekende naast je. Dat praatje dat nergens toe leidde. Iemand die niet was uitgekozen, maar er gewoon was. Het ontwijken daarvan noemden we efficiëntie, keuzevrijheid, rust. Het klonk logisch. Het was logisch.

Tot ik merkte dat ik me bevond in een wereld waarin iedereen verbonden leek, maar zelden nog samen was. Ik had veel vrienden — als ik naar de cijfers keek zelfs opmerkelijk veel — maar weinig tijd die gedeeld werd. Ik had geleerd beter te kiezen, vooral voor mezelf, maar ik wist niet meer hoe je blijft wanneer het niet over jouw voorkeuren gaat. Ik werd bedreven in presenteren, in bijsnijden en bijstellen, maar verloor het vermogen om iemand anders ongevolgd te verdragen.

Gemeenschap werd netwerk. Ontmoeting werd transactie. Samenleven werd iets wat je deed zolang het niet schuurt. Het was niet hard. Niet vijandig. Het voelde eerder als een lege kamer waarin het licht altijd net iets te fel stond.

Leegte, zo bleek, kondigt zich niet aan met lawaai. Ze slaat geen deuren dicht. Ze fluistert. Ze verschijnt als onrust in een volle ruimte. Als spanning in een drukke straat die niet precies te duiden is. Als die lichte angst op een verjaardag, wanneer je merkt dat je met iemand in gesprek raakt die je niet kent — en dat je dat liever niet wilt. Voor die ander, dacht ik. Of misschien voor het feit dat het gesprek nergens over hoeft te gaan.

Langzaam begon ik te vermoeden dat de ander het probleem was. Ik deed tenslotte niemand kwaad. Ik leefde rustig. Ik liet ieder ander met rust. Het lag aan hen.

Mensen die je niet kent, niet tegenkomt en niet langzaam leert verdragen, verschuiven ongemerkt van categorie. Onbekend maakt onbemind, zei mijn moeder altijd. Ze had gelijk. Onbekend voelde gevaarlijk. En wat gevaarlijk voelt, ga je uit de weg.

En toen was het er: eenzaamheid. Niet langer als gevoel, maar als toestand. Een manier van leven. Mét oplossingen, natuurlijk. Eén klik verderop waren mensen die me wel begrepen. Zonder frictie. Zonder correctie. Zonder misverstand.

Die eenzaamheid liet zich niet meer wegredeneren. Ze zat er. Ze wortelde. Diep onderhuids. Ik geloof niet dat ze daar is gaan nestelen uit slechte wil. Integendeel. Wie wil er nu geen efficiënt, geoptimaliseerd leven? Dat hebben we zorgvuldig ontworpen en opgebouwd.

En toch ontbrak er iets. Iets van waarde. Iets onverwachts, dat uit de dag leek te zijn ontworpen. En misschien is de waarheid wel: wat door ontwerp verdween, kan alleen door ontwerp weer terugkeren.

Misschien is het mogelijk weer plekken toe te laten waar je even moet blijven staan. Tijd te beleven die niets oplevert. Aanwezig te zijn zonder doel. Geen beloning. Geen noodzaak. Gewoon laten passeren, samen met anderen die niets van je willen en aan wie jij niets hoeft te bewijzen. Het voelt onhandig, traag, waarschijnlijk een beetje ongemakkelijk.

Maar ergens onder dat ongemak beweegt iets wat ik niet goed kan benoemen. Misschien een verlangen — niet om gekozen te worden, maar eenvoudigweg gezien.

Soms denk ik dat we daar opnieuw kunnen beginnen. We hoeven elkaar niet leuk te vinden, of te begrijpen, of nodig te hebben, zolang we elkaar maar weer eens tegenkomen. Dat iemand er is. Telkens weer. Iemand die ik niet ken, maar wel herken.

En dat in dat herkennen, zonder afspraak of bedoeling, iets kleins gebeurt.

Geen verklaring.
Geen belofte.

Alleen de vaststelling
dat we hier zijn.



Dat ik je zie.


Dit korte verhaal verkent hoe een wereld die is ontworpen om frictie te verminderen, ongemerkt iets anders verdringt: het vermogen om samen te zijn zonder doel, keuze of optimalisatie. Het beschrijft een verschuiving waarin efficiëntie comfort biedt, maar ontmoeting verdunt; waarin verbondenheid meetbaar wordt, maar gemeenschap verdwijnt. Wat resteert is geen conflict of tekort, maar een stille leegte — en de vraag of wat door ontwerp verdween, alleen door ontwerp weer terug kan keren.

© Bart Heideman, 2026 — Alle rechten voorbehouden.

Bart Heideman © 





———————————
 Contact
———————————
 Privacyverklaring
———————————

Bart Heideman werkt als onafhankelijk strategisch adviseur voor bestuur en toezicht op het snijvlak van narratief, identiteit, geloofwaardiheid en bestuur.

Zijn werk richt zich op situaties waarin organisaties blijven functioneren, terwijl samenhang en richting niet langer vanzelfsprekend zijn.


De teksten op deze site onderzoeken wat er zichtbaar wordt vóórdat vertrouwen breekt — en wat dat vraagt van besluitvorming en verantwoordelijkheid.